Op een smerige tram in een smerige stad

Gepubliceerd in Gestolen inspiratie door

De stad zoeft voorbij in felle flitsen van licht, donker, licht, donker. De sombere tinten van een jungle van asfalt. De regen beukt hevig tegen de ramen en de wagons van de tram schudden zachtjes. Mijn handschoenen zijn doorweekt, mijn muts lijkt aan mijn schedel te kleven. De rubberen lussen waar mensen zich aan vast houden als er geen zitplaats is, slingeren van links naar rechts. Een tram is geen gelukkige plek, besef ik. Een paar zitjes verder kauwt een oude vrouw venijnig op een stukje kauwgom. Het lijkt wel rubber tussen de drie of vier tanden die ze nog over heeft. Het haar op haar kin vangt licht op wanneer haar kaken fel en vinnig op het stukje rubber neerkomen. In het zitje voor haar luistert een meisje naar muziek. Haar hoofdtelefoon lijkt gigantisch op haar kleine, blonde hoofd. Zachtjes knikt ze en tikt haar voet op en neer, ongetwijfeld op het ritme van het liedje dat weergalmt in haar oorschelpen. Ik hoop dat haar muziek de druilerige sfeer op deze smerige tram draaglijker maakt voor haar.

Onvrijwillig dwalen mijn gedachten af naar haar. Was het dat blonde meisje dat de verdwaalde gedachte in mijn hoofd injecteerde of was de gedachte nooit ver weg? Ik denk altijd aan haar als de moedeloosheid van de wereld op me neerdaalt. Mijn schouders zijn te smal om het op te vangen. Mijn gedachten, in de stem van mijn grootmoeder. “Te mager, te breekbaar. Eet iets.” Maar haar felle licht verblindt mijn gedachten en ik lijk niets meer te kunnen doen. De tram die voorheen zo donker leek, is plots een bron van fel wit licht en het lijkt alsof ik haar haren ruik. Munt en lavendel.

Vijf jaar geleden. Het was februari, de tranen in mijn ogen verstopten de wereld en ik zag enkel haar bleke huid, alsof ze licht gaf. Als ik niet beter wist, zou ik haar menselijkheid in twijfel trekken. Haar hand voelde buitenaards tegen mijn hals. Koud en warm tegelijk. Magnetisch. Het voelde alsof ik zou stikken in mijn tong toen ze zei, “ik kan dit niet meer, sorry.” En terwijl ze zich omdraaide en haar rug het laatste was dat ik van haar zou zien, besefte ik dat de tijd haar had afgenomen. Zij, groeiend, bloeiend. Ik, vastgeroest. Ik was haar kwijtgeraakt aan de uren, de minuten, seconden die genadeloos wegtikten. Het altijd dat ik me zo lang ingebeeld had, was voor haar veel korter. Haar altijd duurde welgeteld zeventien maanden, vijfendertig dagen en achttien uur.

Ze liet me achter met een vervreemd gevoel. Als ik haar niet had, wat dan wel? Waar hoor ik nog thuis? Op een vuile, versleten tram in een vuile, versleten stad, met enkel volslagen vreemden die ik wanhopig met haar wilde vergelijken. Het meisje vooraan in de tram staat op, haar blonde paardenstaart wiegt op hetzelfde ritme als de rubberen handvaten. Meisjes zoals haar herinneren me aan mijn eigen tekortkomingen. Als een delicate pluim die langzaam naar beneden valt. Haar wereld is prachtig. Haar wereld is waar ik naartoe wil. En wat doe ik hier? Ik zit vast op een smerige tram in een smerige stad. Ze stapt af, zonder in mijn richting te kijken. Zonder zich bewust te zijn van mijn bestaan wandelt ze verder.

Ik hoor hier niet.

 

Geïnspireerd door: Creep van Radiohead

22 februari 2016
/
Vorig artikel Volgend artikel

Laat iets achter